(Version française ci-dessous )

Vaak wordt de term ‘paniekaanval’ foutief gebruikt.. We zeggen het wel al eens snel tegen onze omgeving ‘oh nee, ik ga een paniekaanval krijgen…!’. Soms gaat het enkel om een toegenomen gevoel van onrust dat we ervaren. Wat houdt een paniekaanval nu in?

De literatuur stelt het volgende : “Een paniekaanval is een korte periode van maximum 10 minuten van hevige angst of hevige gespannenheid. Een paniekaanval komt meestal plotseling op en wordt snel heviger in intensiteit en zwakt na enkele minuten opnieuw af.”

Een paniekaanval is een soort van alarmreactie die ons lichaam in gang zet. De functie van een alarm is ons te waarschuwen voor dreigend gevaar. Bij een paniekaanval is dit niet het geval. Ons lichaam schiet in een alarmreactie zonder dat er werkelijk gevaar dreigt.

De drie componenten van een paniekaanval die in de literatuur worden beschreven zijn :

1. Je voelt iets tijdens een paniekaanval (hartkloppingen, duizeligheid, trillen, snellere ademhaling, het plotseling warm krijgen, …)

2. Je hebt gedachten over de lichamelijke veranderingen die je gewaar wordt (“help, dit gaat fout aflopen”, “ik ga flauwvallen”, “waarom heb ik dit nu weeral voor”)

3. Je doet iets (je gaat snel naar huis, gaat even aan de kant staan met je wagen)

Personen die paniekaanvallen ervaren, rapporteren vaak ook een verhoogd bewustzijn voor alles wat er in en met hun lichaam gebeurt. Uit de literatuur weten we dat mensen die een aanleg hebben voor een paniekstoornis, ook meer negatieve gevoelens die ze ervaren gaan onderdrukken.

We weten dat personen die paniekaanvallen hebben, angstig zijn om opnieuw een paniekaanval te hebben waardoor bepaalde situaties, personen, etc. vermeden worden of ervan wordt weggevlucht. De onaangename stimulus wordt weggenomen of je wordt er helemaal niet mee geconfronteerd. Dit zorgt voor een gevoel van opluchting en dus een fijn gevoel. Op korte termijn gaat vermijdingsgedrag of vluchtgedrag steeds bekrachtigend zijn. Het nastreven van kortetermijndoelen is iets waar we als het ware voor ‘voorgeprogrammeerd’ zijn. Met dit gedrag wordt de oorzaak van de paniekaanvallen natuurlijk niet aangepakt. Integendeel, je angst voor deze specifieke situaties gaat alleen maar groter worden, je leert namelijk niet dat je dit gedrag kunt doorstaan.

In het begin van de begeleiding rond paniekaanvallen focussen we op het stuk rond de lichamelijke sensaties. Het gecontroleerd oproepen van deze sensaties heeft als doel om te leren dat deze sensaties op zich geen angst hoeven te induceren. Wel kan dit in het begin oncomfortabel aanvoelen. Hoe meer hier wordt op ingezet, hoe sneller dit gevoel van ongemak zal uitdoven. Waar je bang voor bent gebeurt niet.

Het tweede luik in de begeleiding richt zich op de gedachten. Waar denk je aan tijdens een paniekaanval? ? In welke situaties doen de aanvallen zich voor? In dit deel is het van belang om met de cliënt af te toetsen of de gedachten die hij of zij heeft overeenkomstig zijn met de werkelijkheid (situatie waar persoon zich op dat moment bevindt). Hoe interpreteert de cliënt zijn of haar omgeving? Zijn er misschien andere, meer adequate manieren voor de cliënt om de omgeving waar te nemen? Een manier die meer adequaat is en bijdraagt tot een, voor de cliënt, optimaal functioneren.

Tenslotte focust het laatste deel van de begeleiding op het doen. Meer specifiek gaat het om het aanpakken van het vermijdingsgedrag. Welke situaties vind je moeilijk om aan te gaan of welke ga je helemaal uit de weg? Graduele blootstelling aan deze situaties, in combinatie met adequatere lichamelijke waarnemingen en gedachten, zorgen ervoor dat je leert dat waar je zo bang voor bent niet uitkomt.

Paniekaanvallen voelen voor vele mensen vaak heel beangstigend aan. Het voelt alsof je de controle verliest en op dat moment zou je net heel graag je lichaam (en je gedachten) zo snel mogelijk opnieuw onder controle krijgen. De praktijk leert ons dat bijvoorbeeld het leren omgaan met controle iets is wat voor vele mensen niet gemakkelijk is in het kader van het ervaren van onrust en/of paniekaanvallen.

In mijn kabinet krijg ik vaak de vraag “Waarom doen die aanvallen zich voor?”, “Er heeft zich niets

traumatisch voorgedaan in mijn leven wat die aanval op dat specifieke moment kan uitlokken.”

Vanuit gedragstherapeutische invalshoek is het belangrijk en zinvol om te vertrekken vanuit de vraag : Door welk gedrag ondervindt de cliënt moeilijkheden? Zeker in het begin van de begeleiding geven registraties van alle mogelijke moeilijkheden / klachten zeer zinvolle informatie. Patronen die we hebben ontwikkeld doorheen onze levensjaren vormen ook waardevolle aanknopingspunten. Het loont de moeite om even stil te staan bij onze routines, “gewoontes”, dingen waar we niet meer bij stilstaan en die we als vanzelfsprekend beschouwen.

Het geheel is meer dan de som der delen.

———————————————————————————————————————————–

Attaques de panique

Souvent le terme « crise de panique » est utilisé incorrectement. Nous allons dire à notre environnement ‘oh non, je vais avoir une crise de panique …!’. Parfois, c’est juste un sentiment accru de troubles que nous éprouvons. En réalité, qu’est-ce qu’une crise de panique ?

La littérature indique ce qui suit : « Une crise de panique est une courte période allant jusqu’à 10 minutes de peur violente ou de tension violente. Une crise de panique se produit généralement soudainement et devient rapidement plus intense en intensité et s’affaiblit à nouveau après quelques minutes. Une crise de panique est une sorte de réaction d’alarme que déclenche notre corps. La fonction d’une alarme est de nous avertir d’un danger imminent. Ce n’est pas le cas en cas de crise de panique. Notre corps réagit sans qu’il y ait un danger réel.

Les trois composantes d’une crise de panique décrites dans la littérature sont :

1. Nous ressentons quelque chose lors d’une crise de panique (palpitations, vertiges, tremblements, respiration plus rapide, bouffées de chaleur, …)

2. Nous avons des pensées sur les changements physiques que nous percevons (“Au secours, cela va mal tourner”, “Je vais m’évanouir”, “Pourquoi je fais cela à nouveau maintenant ?”)

3. Nous entreprenons quelque chose (nous rentrons à la maison rapidement, nous nous mettons à l’écart avec notre voiture)

Les personnes qui subissent des crises de panique signalent souvent une sensibilisation accrue à tout ce qui se passe dans et avec leur corps. De la littérature nous savons que les gens qui ont une prédisposition au crises de panique suppriment également les sentiments plus négatifs qu’ils éprouvent.

Nous savons que les gens qui ont des crises de panique ont peur d’en avoir une autre et évitent ainsi certaines situations, individus, etc. Le stimulus désagréable est évité. Cela crée un sentiment de soulagement et donc un sentiment agréable. À court terme, le comportement d’évitement ou de fuite sera toujours ratifiant. La poursuite d’objectifs à court terme est quelque chose pour laquelle nous, pour ainsi dire, sommes «préprogrammés». Bien sûr, ce comportement n’adresse pas la cause des crises de panique. Au contraire, notre peur de ces situations spécifiques ne fera qu’augmenter, parce que nous n’apprenons pas à supporter ce comportement.

Au début de la thérapie autour des crises de panique, nous nous concentrons sur la partie des sensations physiques. Les appels contrôlés de ces sensations visent à apprendre que ces sensations ne doivent pas induire la peur en elles-mêmes. Cependant, nous pouvons nous sentir mal à l’aise au début. Plus cela est utilisé, au plus vite ce sentiment d’inconfort s’éteint. Ce dont nous avons peur ne se produit pas.

La deuxième partie de la thérapie se concentre sur les pensées. À quoi pensonsnous lors d’une crise de panique ? De quoi avonsnous peur ? Dans quelles situations les attaques se produisent-elles ? Dans cette partie, il est important de vérifier auprès du client si les pensées qu’il ou elle a répondent à la réalité (situation où la personne est à ce moment-là). Comment le client interprète-t-il/elle son environnement? Existent-ils d’autres moyens plus appropriés pour le client d’observer l’environnement? Une manière plus adéquate et qui contribue au fonctionnement optimal du client.

Enfin, la dernière partie de la thérapie se concentre sur l’action. Plus précisément, il s’agit de s’attaquer aux comportements d’évitement. Quelles situations trouvons-nous difficiles à gérer ou dans quelles situations allons-nous jusqu’au bout? L’exposition graduelle à ces situations, combinée avec des perceptions et des pensées physiques plus adéquates, nous permet d’apprendre que ce dont nous avons si peur ne se réalise pas.

Les crises de panique sont souvent très effrayantes pour beaucoup de gens. Nous nous sentons comme si nous perdons le contrôle et à ce point, nous aimerions avoir notre corps (et nos pensées) sous contrôle dès que possible. La pratique nous enseigne que, par exemple, apprendre à gérer le contrôle est quelque chose qui n’est pas facile pour beaucoup de gens dans le contexte de l’expérience de troubles et / ou des crises de panique.

Dans mon cabinet, je suis souvent confrontée à la question “Pourquoi ces attaques se produisent-elles?”, “Rien de traumatisant dans ma vie a causé cette attaque à ce moment particulier.” D’un point de vue thérapeutique comportemental, il est important et utile de se poser la question: Par quel comportement le client ressent-il des difficultés? Surtout au début de la thérapie, l’enregistrement de toutes les difficultés possibles / plaintes donne des informations très significatives. Les modèles de comportement que nous avons développés tout au long de notre vie sont également des pistes précieuses. Cela vaut la peine de réfléchir sur nos routines, «habitudes», les choses que nous considérons comme ‘normales’ et que nous tenons pour acquis. Le tout est plus que la somme des parties.

Vaak wordt de term ‘paniekaanval’ foutief gebruikt.. We zeggen het wel al eens snel tegen onze omgeving ‘oh nee ik ga een paniekaanval krijgen…!’. Soms gaat het enkel om een toegenomen gevoel van onrust dat we ervaren. Wat houdt een paniekaanval nu in?

De literatuur stelt dat : “een paniekaanval is een korte periode van maximum 10 minuten van hevige angst of hevige gespannenheid. Een paniekaanval komt meestal plotseling op en wordt snel heviger in intensiteit en zwakt na enkele minuten opnieuw af.”

Een paniekaanval is een soort van alarmreactie dat ons lichaam in gang zet. De functie van een alarm is ons te waarschuwen voor dreigend gevaar. Bij een paniekaanval is dit niet het geval. Ons lichaam schiet in een alarmreactie zonder dat er werkelijk gevaar dreigt.

De drie componenten van een paniekaanval die in de literatuur worden beschreven zijn :

1. Je voelt iets tijdens een paniekaanval (hartkloppingen, duizeligheid, trillen, snellere ademhaling, het plotseling warm krijgen, …)

2. Je hebt gedachten over de lichamelijke veranderingen die je gewaar wordt (“help, dit gaat fout aflopen” “ik ga flauwvallen” “waarom heb ik dit nu weeral voor”)

3. Je doet iets (je gaat snel naar huis, gaat even aan de kant staan met je wagen)

Personen die paniekaanvallen ervaren, rapporteren vaak ook een verhoogd bewustzijn voor alles wat er in en met hun lichaam gebeurt. Uit de literatuur weten we dat mensen die een aanleg hebben voor een paniekstoornis, ook meer negatieve gevoelens die ze ervaren gaan onderdrukken.

We weten dat personen die paniekaanvallen hebben, angstig zijn om opnieuw een paniekaanval te hebben waardoor bepaalde situaties, personen, etc. vermeden worden of men eruit wegvlucht. De onaangename stimulus wordt weggenomen of je wordt er helemaal niet mee geconfronteerd. Dit zorgt voor een gevoel van opluchting en dus een fijn gevoel. Op korte termijn gaat vermijdingsgedrag of vluchtgedrag steeds bekrachtigend zijn. Het nastreven van kortetermijndoelen is iets waar we als het ware voor ‘voorgeprogrammeerd’ zijn. Met dit gedrag wordt de oorzaak van de paniekaanvallen natuurlijk niet aangepakt. Integendeel, je angst voor deze specifieke situaties gaat alleen maar groter worden, je leert namelijk niet dat je dit gedrag kunt doorstaan.

In het begin van de begeleiding rond paniekaanvallen focussen we op het stuk rond de lichamelijke sensaties. Het gecontroleerd oproepen van deze sensaties heeft als doel om te leren dat deze sensaties op zich geen angst hoeven te induceren. Wel kan dit in het begin oncomfortabel aanvoelen. Hoe meer hier wordt op ingezet, hoe sneller dit gevoel van ongemak zal uitdoven. Waar je bang voor bent gebeurt niet.

Het tweede luik in de begeleiding richt zich op de gedachten. Waar denk je aan tijdens een paniekaanval? Waar ben je precies bang voor dat er zal gebeuren? In welke situaties doen de aanvallen zich voor? In dit deel is het van belang om met de cliënt af te toetsen of de gedachten die hij of zij heeft overeenkomstig zijn met de werkelijkheid (situatie waar persoon zich op dat moment bevindt). Hoe interpreteert de cliënt zijn of haar omgeving? Zijn er misschien andere, meer adequate manieren voor de cliënt om de omgeving waar te nemen? Een manier die meer adequaat is en bijdraagt tot een, voor de cliënt, optimaal functioneren.

Tenslotte focust het laatste deel van de begeleiding op het doen. Meer specifiek gaat het om het aanpakken van het vermijdingsgedrag. Welke situaties vind je moeilijk om aan te gaan of welke ga je helemaal uit de weg? Graduele blootstelling aan deze situaties, in combinatie met adequatere lichamelijke waarnemingen en gedachten, zorgen ervoor dat je leert dat waar je zo bang voor bent niet uitkomt.

Paniekaanvallen voelen voor vele mensen vaak heel beangstigend aan. Het voelt alsof je de controle verliest en op dat moment zou je net heel graag je lichaam (en je gedachten) zo snel mogelijk opnieuw onder controle krijgen. De praktijk leert ons dat bijvoorbeeld het leren omgaan met controle iets is wat voor vele mensen niet gemakkelijks in het kader van het ervaren van onrust en/of paniekaanvallen.

In mijn kabinet krijg ik vaak de vraag “Waarom doen die aanvallen zich voor?” “Er heeft zich niets

traumatisch voorgedaan in mijn leven dat die aanval op dat specifieke moment kan uitlokken”

Vanuit gedragstherapeutische invalshoek is het belangrijk en zinvol om te vertrekken vanuit de vraag : door welk gedrag ondervindt de cliënt moeilijkheden van ondervindt? Zeker in het begin van de begeleiding geven registraties van alle mogelijke moeilijkheden / klachten, zeer zinvolle informatie. Patronen die we hebben ontwikkeld doorheen onze levensjaren vormen ook waardevolle aanknopingspunten. Het loont de moeite om even stil te staan bij onze routines, “gewoontes”, dingen waar we niet meer bij stil staan en die we als vanzelfsprekend beschouwen.

Het geheel is meer dan de som der delen.


Margot Van Steenwinckel

Psychologe Margot is gespecialiseerd in Klinische en Biologische Psychologie, en behaalde het diploma Master of Science in de Klinische Psychologie - Biologische Psychologie. Margot is ook een actieve medewerkster van Vidafeels Groepspraktijk te Dilbeek.